ECLI:NL:CRVB:2021:2156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding en afwijzing werkloosheidsuitkering
Appellant was werkzaam bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid en kampte sinds 2012 met problemen in zijn functioneren. Ondanks begeleiding en aandacht voor privéomstandigheden bleven de problemen bestaan. In 2014-2015 werden taakstraffen onterecht afgemeld, wat leidde tot twijfels over de integriteit van appellant. Na een psychiaterrapport waarin sprake was van lichte verminderde toerekeningsvatbaarheid, bleef appellant verwijtbaar.
De minister besloot tot ontslag op grond van artikel 99 ARAR Pro wegens een verstoorde arbeidsverhouding, nadat herplaatsingspogingen en re-integratietrajecten waren geweigerd door appellant. Appellant voerde aan dat ontslag pas na re-integratieverplichtingen mocht plaatsvinden, maar dit werd verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat voortzetting van het dienstverband niet mogelijk was en dat er geen redelijke verwachting was van succesvolle herplaatsing. Ook is geen sprake van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan in de verstoorde arbeidsverhouding, zodat een aanvullende vergoeding niet toekomt. Het beroep op de werkloosheidsuitkering wordt eveneens afgewezen.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 augustus 2021, waarbij de aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens een verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd en het beroep tegen de werkloosheidsuitkering wordt afgewezen.