ECLI:NL:CRVB:2021:2186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was laatstelijk werkzaam als receptioniste en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Een WIA-uitkering werd geweigerd omdat zij voor het einde van de wachttijd als hersteld werd beschouwd.
In bezwaar en beroep werd het besluit van het UWV bevestigd. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellante belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 augustus 2018. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie aan te leveren.
Appellante verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige en stelde dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, onder meer door klachten aan schouder, hand en oog. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat deze klachten niet relevant waren voor de datum in geding en onvoldoende medisch waren onderbouwd.
De Raad bevestigde dat de functies die de arbeidsdeskundige had geselecteerd medisch geschikt waren voor appellante. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding en proceskosten werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.