ECLI:NL:CRVB:2018:2953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering na hersteldverklaring tijdens wachttijd
Appellante was werkzaam tot februari 2011 en meldde zich in januari 2014 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na een eerstejaars ZW-beoordeling in januari 2015 werd vastgesteld dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen, waarna haar ZW-uitkering werd beëindigd. Na een nieuwe ziekmelding in maart 2015 werd haar recht op ziekengeld voortgezet.
In november 2015 vond een WIA-keuring plaats waarbij meerdere beperkingen werden vastgesteld, maar het UWV concludeerde dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Daarom werd haar ZW-uitkering per januari 2016 beëindigd en de WIA-uitkering geweigerd omdat zij voor het einde van de wachttijd van 104 weken hersteld was verklaard.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat, met name voor haar armklachten. De Raad oordeelde echter dat de medische beoordelingen zorgvuldig en volledig waren en dat de beperkingen correct waren vastgesteld. Tevens werd bevestigd dat de wachttijd van 104 weken niet was vervuld en dat het UWV dit standpunt voldoende onderbouwd had.
Hoewel het UWV het besluit niet deugdelijk had gemotiveerd, was dit niet nadelig voor appellante omdat het besluit ook met correcte motivering hetzelfde zou zijn genomen. De Raad bevestigde het bestreden besluit, wees het verzoek tot schadevergoeding af en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De ZW-uitkering is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht geweigerd omdat appellante voor het einde van de wachttijd hersteld is verklaard.