Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was vanaf 1 juli 2014 werkzaam bij een uitzendbureau en meldde zich ziek na een auto-ongeluk op 8 september 2014. Het dienstverband werd per 15 september 2014 beëindigd. Het UWV weigerde aanvankelijk een Ziektewet-uitkering omdat sprake zou zijn van een reguliere arbeidsovereenkomst met recht op loonbetaling. Later werd een ZW-uitkering toegekend, maar na een intern onderzoek werd deze teruggevorderd wegens vermeend onjuist gebruik.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een reguliere arbeidsovereenkomst en dat appellante onjuiste informatie had verstrekt, waardoor terugvordering gerechtvaardigd was. In hoger beroep stelde appellante dat zij te goeder trouw handelde en dat het UWV ten onrechte het recht op ZW-uitkering heeft herzien en teruggevorderd.
De Raad stelde vast dat appellante uitsluitend werkzaamheden verrichtte onder toezicht van het uitzendbureau zelf en niet voor derden, waardoor de overeenkomst kwalificeert als arbeidsovereenkomst. Echter, vanaf 15 september 2014 was de arbeidsovereenkomst beëindigd en bestond geen recht meer op loon, waardoor appellante als zieke zonder werkgever recht heeft op ZW-uitkering.
De Raad oordeelde dat het UWV de herziening en terugvordering niet op juiste gronden baseerde en dat appellante niet redelijkerwijs kon weten dat de toekenning van de ZW-uitkering onjuist was. De eerdere uitspraak werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.