ECLI:NL:CRVB:2021:2264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsbeperkingen rond 1983-1984
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid die zij sinds haar jeugd zou hebben. Het UWV wees de aanvraag af omdat er onvoldoende medische gegevens zijn om vast te stellen of zij rond haar 18e levensjaar al arbeidsbeperkingen had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De kern van het geschil is of er in retrospectief arbeidsbeperkingen kunnen worden vastgesteld in de periode 1983-1984. Een deskundige psychiater concludeerde dat appellante in een traumatisch milieu opgroeide en mogelijk een complexe PTSS had, maar dat door het ontbreken van medische gegevens uit die tijd geen volledig beeld van de ernst en beperkingen kan worden gegeven. De verzekeringsarts van het UWV onderschreef dit standpunt.
Appellante bracht geen nieuwe feiten naar voren die aanleiding geven het eerdere oordeel te wijzigen. De Raad volgt de deskundigen en oordeelt dat de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat onvoldoende gegevens zijn om arbeidsongeschiktheid in die periode vast te stellen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd wegens onvoldoende bewijs van arbeidsbeperkingen rond 1983-1984.