ECLI:NL:CRVB:2021:2287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet melden gezamenlijke huishouding onder Participatiewet
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college legde een boete op wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met X over de periode april 2015 tot februari 2017. Uit onderzoek bleek onvoldoende bewijs dat X vóór november 2016 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, maar wel dat zij vanaf november 2016 tot februari 2017 een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad oordeelde dat het college de inlichtingenverplichting van appellante heeft bewezen te zijn geschonden voor de periode vanaf november 2016. Verbruiksgegevens en verklaringen van buurtbewoners boden onvoldoende duidelijkheid over de periode daarvoor. Appellante voerde verminderde verwijtbaarheid aan, maar dit werd verworpen vanwege gebrek aan bewijs van volledige openheid.
De boete werd gebaseerd op een netto benadelingsbedrag dat te hoog was vastgesteld, maar dit had geen invloed op de boetehoogte omdat het college uitging van normale verwijtbaarheid en een fictieve draagkracht. De Raad bevestigde het bestreden besluit en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De boete voor het niet melden van een gezamenlijke huishouding van november 2016 tot februari 2017 wordt bevestigd.