ECLI:NL:CRVB:2021:2290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing huurschuld wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante vroeg bijzondere bijstand voor de aflossing van een huurschuld van €3.000,-. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet (PW), omdat appellante beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij bij het ontstaan van de schuldenlast geen inkomen op bijstandsniveau had en dat zeer dringende redenen, zoals dreigende huisuitzetting, toepassing van artikel 49 PW Pro rechtvaardigden. De Raad oordeelde dat niet alleen het inkomen ten tijde van het ontstaan van de schuld, maar ook het inkomen tot aan het besluit relevant is. Appellante beschikte vanaf januari 2018 over bijstand, zodat artikel 13 PW Pro in beginsel van toepassing was.
De Raad verduidelijkte dat het begrip 'zeer dringende redenen' in artikel 49, aanhef en onder b, PW een uitzonderingskarakter heeft en alleen geldt wanneer schulden de bestaansvoorziening bedreigen, bijvoorbeeld bij dreigende huisuitzetting of afsluiting van nutsvoorzieningen. Appellante kon dit niet aannemelijk maken; de overgelegde dagvaarding was pas na de relevante periode betekend.
Daarom was geen sprake van zeer dringende redenen en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor aflossing van de huurschuld wordt afgewezen wegens ontbreken van zeer dringende redenen.