ECLI:NL:CRVB:2021:2300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging financiële tegemoetkoming vervoerskosten op grond van Wmo 2015 bevestigd
Appellant ontving sinds 2012 een financiële tegemoetkoming in vervoerskosten vanwege mobiliteitsbeperkingen door psychiatrische problematiek en luchtwegklachten. In 2019 startte het college een heronderzoek naar de noodzaak van deze tegemoetkoming, mede vanwege de beschikbaarheid van individueel regiotaxivervoer. Appellant weigerde aanvankelijk mee te werken, waarna het college de tegemoetkoming beëindigde.
Tijdens de bezwaarprocedure werkte appellant alsnog mee aan een medisch onderzoek door Argonaut, uitgevoerd door een arts in opleiding tot verzekeringsarts en een verzekeringsarts. Het advies concludeerde dat appellant gebruik kan maken van individueel regiotaxivervoer. Het college handhaafde daarop het besluit tot beëindiging van de tegemoetkoming.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het advies zorgvuldig was en dat geen gewenningsperiode noodzakelijk was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was omdat een arts in opleiding het had uitgevoerd en dat het regiotaxivervoer door zijn problematiek niet passend was.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, ook al was een deel uitgevoerd door een arts in opleiding, en dat het advies rekening hield met de beperkingen van appellant. Er was geen aanleiding om aan de juistheid van het advies te twijfelen. Ook was een gewenningsperiode niet vereist omdat appellant aanvankelijk niet wilde meewerken en was gewaarschuwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de financiële tegemoetkoming in vervoerskosten terecht heeft beëindigd.