Appellante, geboren in 1986, vroeg opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) vanwege risico's door huiselijk geweld. Het college wees de eerste aanvraag af, maar verleende later opvang voor de periode van 6 maart 2019 tot 5 maart 2021. Appellante maakte bezwaar tegen het eerste besluit, dat werd toegewezen, en tegen het tweede besluit, dat niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over de feitelijke uitvoering van het bestreden besluit, met name over de duur van de wachtlijst en de invulling van de noodopvang, en vernietigde het bestreden besluit voor het overige. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte onbevoegd was en dat de geboden opvang niet geschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd verklaarde, omdat de adequaatheid van opvang wel ter beoordeling aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd. Tijdens de zitting verklaarde appellante echter dat zij de opvang had verlaten en inmiddels onderdak had bij een vriendin, waardoor zij geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling. Daarom verklaart de Raad het beroep niet-ontvankelijk.
De Raad veroordeelt het college in de proceskosten van appellante, begroot op €1.068,-, en ziet af van griffierecht wegens betalingsonmacht. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover aangevochten, het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.