ECLI:NL:CRVB:2021:2379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid op 17-18-jarige leeftijd
Appellant, geboren in 1978, diende in december 2014 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op het moment dat hij 17 en 18 jaar oud was.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV, maar stelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de zes jaren voorafgaand aan zijn 17e verjaardag in Nederland had gewoond, waardoor hij niet voldeed aan de AAW-criteria. In hoger beroep stelde het UWV dat het ontbreken van medische gegevens uit die periode het niet mogelijk maakte om een geobjectiveerd oordeel te geven over de arbeidsongeschiktheid van appellant.
De Raad oordeelde dat het risico van het ontbreken van medische gegevens bij appellant ligt, mede gelet op het tijdsverloop van bijna twintig jaar tussen het moment van arbeidsongeschiktheid en de aanvraag. Behalve een brief van een internist uit 2015 was er geen medisch bewijs uit de relevante periode. Daarom kon niet worden vastgesteld dat appellant voldeed aan de voorwaarden van de AAW, en was de afwijzing van de Wajong-aanvraag terecht.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van gronden. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Wajong-aanvraag van appellant wordt terecht afgewezen wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid op 17-18-jarige leeftijd.