ECLI:NL:CRVB:2021:2408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wlz-zorgaanvraag wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant, geboren in 2004 en bekend met Developmental Coordination Disorder (DCD), diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af op basis van een medisch advies waarin werd geconcludeerd dat appellant geen recht heeft op 24-uurszorg, omdat de beperkingen vooral cognitief van aard zijn en niet voldoen aan de criteria van artikel 3.2.1, eerste lid, Wlz.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat er geen medisch objectiveerbaar bewijs was dat de beperkingen van appellant een Wlz-grondslag vormen. Appellant stelde in hoger beroep dat DCD geen psychiatrische aandoening is en dat een hersenbloeding niet was onderkend, en betoogde dat het onderzoek onzorgvuldig was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen, onder meer door huisbezoek, literatuuronderzoek en overleg met een revalidatiearts. Appellant leverde geen medische stukken aan die het advies konden betwijfelen. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 september 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wlz-zorgaanvraag wordt bevestigd.