Uitspraak
20.1933 AOW, 21/771 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2021 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt een AOW-uitkering met toeslag voor zijn echtgenote, waarvan de hoogte afhankelijk is van haar inkomen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag de toeslag over januari 2017 tot en met september 2018 vanwege te hoog inkomen en vorderde een terugbetaling van €11.051,34. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep trok de Svb het eerste herzieningsbesluit in en nam een nieuw besluit waarbij appellant recht behield op een lagere toeslag en de terugvordering werd verlaagd naar €9.014,29, mede op basis van een gecorrigeerde belastingaangifte van de echtgenote. Appellant handhaafde zijn hoger beroep met het argument dat er dringende redenen waren om van terugwerkende herziening af te zien, vanwege een incidentele inkomensstijging die hij niet kon onderkennen.
De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang meer had bij het hoger beroep tegen het ingetrokken besluit en verklaarde dit niet-ontvankelijk. Vervolgens oordeelde de Raad dat geen dringende redenen aanwezig waren om af te zien van herziening met terugwerkende kracht, gelet op het beleid van de Svb en het feit dat appellant op de hoogte was van de inkomensschommelingen van zijn echtgenote. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit wordt ongegrond verklaard.