ECLI:NL:CRVB:2021:2440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke toekenning bijzondere bijstand voor inrichtingskosten
Appellant, gescheiden en alleenwonend, vroeg bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten van zijn nieuwe woning. Het college kende een bedrag toe op basis van beleidsregels die uitgaan van een eenpersoonshuishouden. Kosten voor een Playstation 4, magnetron en wasdroger werden niet als noodzakelijk aangemerkt en daarom niet vergoed.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het college bevoegd is forfaitaire bedragen vast te stellen en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de vergoeding onvoldoende was. Ook werd bevestigd dat het college terecht uitging van een eenpersoonshuishouden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn bijzondere omstandigheden, zoals echtscheiding en psychische problematiek, en de beoogde omgangsregeling met zijn kinderen, reden waren voor een ruimere toekenning. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden niet leiden tot een ander oordeel en bevestigde dat de genoemde kosten niet als noodzakelijk worden beschouwd.
De Raad concludeert dat het college terecht het bestreden besluit heeft genomen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijzondere bijstand passend is voor een eenpersoonshuishouden en wijst het hoger beroep af.