Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor uiteenlopende kosten zoals een wasmachine, wasdroger, televisie, gordijnen, warmtewerende folie, meubilair, vloer en keukenblad. Het bestuur wees de aanvragen grotendeels af, met als motivering dat veel kosten niet noodzakelijk zijn of niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank bevestigde deze besluiten, met uitzondering van de afwijzing voor warmtewerende folie, waarvoor de rechtbank oordeelde dat de aanvraag onder de Wmo 2015 viel en niet onder de Participatiewet.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat alle kosten noodzakelijk zijn en dat hij door cumulatie van kosten en schulden onvoldoende heeft kunnen reserveren. De Raad oordeelde dat hoewel sommige kosten zich voordoen, appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze noodzakelijk zijn of dat bijzondere omstandigheden hem verhinderen deze uit zijn inkomen te betalen. De Raad bevestigde dat de Wmo 2015 een voorliggende voorziening is voor warmtewerende folie en dat het bestuur terecht de aanvraag niet als zodanig heeft aangemerkt.
De Raad wees het beroep af en veroordeelde het bestuur in de proceskosten van appellant. Tevens werd vastgesteld dat het bestuur conform het beleid heeft gehandeld door geen rekening te houden met schulden, aangezien appellant geen schuldregeling had getroffen. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 september 2022.