Appellant was werkzaam als verzorgende en meldde zich in juni 2011 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een afwijzing van een WIA-uitkering per 6 juni 2013, stelde appellant dat zijn beperkingen vanaf 17 juni 2013 waren toegenomen. Het UWV weigerde een nieuwe uitkering toe te kennen omdat volgens hen geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De medische beoordeling door verzekeringsartsen is zorgvuldig en juist bevonden, waarbij de Functionele Mogelijkhedenlijst en medische objectiveringen centraal stonden.
Appellant bracht aanvullende medische stukken in, waaronder een brief van een KNO-arts en een besluit van de gemeente Rotterdam, maar deze werden niet als aanleiding gezien om het medisch oordeel te herzien. Het besluit van de gemeente en het onderliggende onderzoek betreffen andere criteria dan die van de Wet WIA.
De Raad concludeert dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat daardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstaat. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.