ECLI:NL:CRVB:2021:2470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling en afwijzing hoger beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als smeerder, ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na bezwaar en aanvullend medisch onderzoek stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 65 tot 80% met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 augustus 2017 als basis. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de medische beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en voerde aan dat de beperkingen in de FML onvoldoende waren, mede op basis van aanvullend medisch rapport van een verzekeringsarts en radiologische informatie. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen hun standpunten voldoende hadden gemotiveerd.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische informatie van appellant onvoldoende aanleiding gaf om te twijfelen aan de juistheid van de FML en de vastgestelde beperkingen. Ook het gebruik van medicatie (Tramadol) gaf geen reden tot extra beperkingen. De voorbeeldfuncties die de arbeidsdeskundige gebruikte waren passend bij de belastbaarheid van appellant. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de WGA-vervolguitkering van appellant gehandhaafd blijft.