Uitspraak
21.12 AW
mr. C.A.M.J. van Hameren en mr. Ö. Sehirli.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was vanaf 1 augustus 2017 in tijdelijke dienst bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) met een proeftijd tot uiterlijk 1 augustus 2019, waarna bij voldoende functioneren een vaste aanstelling zou volgen. Tijdens zijn dienstverband vonden meerdere voortgangsgesprekken plaats waarin werd vastgesteld dat zijn functioneren niet voldeed aan de verwachtingen, met name op het gebied van juridische analyse en communicatie.
Na een reorganisatie werd appellant op een functie geplaatst waarbij hij klachten en handhavingsverzoeken behandelde. Na diverse gesprekken en een functioneringsgesprek werd appellant op 18 maart 2019 ontheven van het behandelen van klachten en handhavingsverzoeken. Op 29 april 2019 werd hem meegedeeld dat geen vaste aanstelling zou worden verleend na afloop van zijn tijdelijke dienst.
De AP maakte bij besluit van 17 juli 2019, gehandhaafd bij besluit van 4 december 2019, formeel het besluit bekend om geen vaste aanstelling te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij onvoldoende terugkoppeling had ontvangen en dat het bezwaar ook de beoordeling van 29 april 2019 betrof. De Raad verwierp deze gronden en oordeelde dat het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat appellant niet voldeed aan de eisen.
De Raad bevestigde dat de toetsing terughoudend is en dat het bestuursorgaan niet hoeft aan te tonen dat sprake is van ongeschiktheid die ontslag van een vaste ambtenaar zou rechtvaardigen. De motivering van het besluit was voldoende, ook al verwees de AP naar het advies van de bezwaaradviescommissie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen vaste aanstelling wordt verleend vanwege onvoldoende functioneren.