Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:2501

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
8 oktober 2021
Zaaknummer
20/1577 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 6:19 AwbArt. 47 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en afwijzing IVA-uitkering per 16 oktober 2018

Appellant was werkzaam als kok en meldde zich op 18 oktober 2016 ziek met fysieke klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 52,26% en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 16 oktober 2018.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellant niet waren onderschat. Appellant stelde in hoger beroep dat hij recht had op een IVA-uitkering per einde wachttijd, maar onderbouwde dit niet met medische feiten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was op 16 oktober 2018 en bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering blijft gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering per 16 oktober 2018 wordt bevestigd zonder recht op IVA-uitkering per die datum.

Uitspraak

20/1577 WIA
Datum uitspraak: 8 oktober 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
16 april 2020, 19/174 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2021. Partijen zijn als aangekondigd niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als kok voor 31,95 uur per week. Op
18 oktober 2016 heeft appellant zich ziekgemeld met fysieke klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 18 september 2018 appellant met ingang van 16 oktober 2018 een
WIA-uitkering geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 december 2018 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Tegen bestreden besluit 1 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld. Gedurende de beroepsprocedure heeft het Uwv met het besluit van 17 december 2019 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant gegrond verklaard, de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 16 oktober 2018 vastgesteld op 52,26% en een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Aan het bestreden besluit 2 ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 november 2019 ten grondslag.
1.2.
Het Uwv heeft bij besluit van 26 juli 2021 appellant een IVA-uitkering toegekend vanaf 16 oktober 2020.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, onder toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht geacht tegen het bestreden besluit 2 en het beroep, ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geschied. Appellant heeft niet met medische feiten en gegevens zijn stelling onderbouwd dat met de opgestelde Functionele Mogelijheden Lijst (FML) zijn beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn onderschat. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant per 16 oktober 2018 door de verzekeringsartsen is overschat. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar het besluit van 26 juli 2021, te kennen gegeven dat hij zich thans op het standpunt stelt dat het Uwv hem per einde wachttijd een IVA-uitkering had moeten toekennen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.2.
Aan de orde is uitsluitend de vraag of appellant op de datum in geding, 16 oktober 2018, op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering.
4.3.
Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Appellant heeft zijn standpunt dat hij op datum in geding, 16 oktober 2018, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was in het geheel niet onderbouwd. Zijn beroepsgrond dat hij per einde wachttijd recht heeft op een IVA-uitkering kan reeds om die reden niet leiden tot een ander oordeel. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de aangevallen uitspraak worden daarom onderschreven.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en F.M. Rijnbeek en P.J. Stolk
als leden, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2021.
(getekend) S. Wijna
(getekend) R. van der Heide