ECLI:NL:CRVB:2021:2506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging WIA-uitkering wegens CVS-problematiek
Appellant is in beroep gegaan tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering per 1 januari 2017 te beëindigen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant niet waren onderschat. Appellant stelde echter dat het onderzoek onvoldoende rekening hield met zijn CVS/ME-klachten en dat er sprake was van een ongelijke rechtspositie.
De Raad constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening hield met de energetische beperkingen van appellant. Het UWV heeft dit gebrek hersteld met aanvullende rapporten en een gewijzigde FML.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunten te onderbouwen en dat de gewijzigde FML voldoende gemotiveerd was. De mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering terecht was.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het UWV het motiveringsgebrek heeft hersteld.