ECLI:NL:CRVB:2021:2517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vertrekstimuleringspremie wegens beschikbaarheid passende functie ondanks ontslag
De zaak betreft een beroep van appellant tegen het besluit van de korpschef van politie om de toekenning van een vertrekstimuleringspremie te weigeren. Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 januari 2017, waarna de korpschef een nieuwe beslissing op bezwaar nam op 24 maart 2020, die het bezwaar ongegrond verklaarde.
Appellant stelde dat er geen passende functies beschikbaar waren en dat de korpschef onzorgvuldig had gehandeld door dit niet goed te onderzoeken. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bepaald dat het weigeren van een vertrekstimuleringspremie afhankelijk is van de beschikbaarheid van passende functies en dat de korpschef dit zorgvuldig moet vaststellen.
De korpschef voerde aan dat er meerdere passende functies beschikbaar waren, onderbouwd met een overzicht van vacante functies binnen het vakgebied van appellant. De Raad oordeelde dat dit voldoende was om aan te tonen dat passende functies beschikbaar waren en dat de weigering van de premie daarom terecht was. Het verzoek om schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit werd afgewezen omdat geen sprake was van een onrechtmatig besluit.
De Raad verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing gegrond, kende vergoeding van het griffierecht toe, maar verklaarde het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar ongegrond en wees het schadevergoedingsverzoek af.
Uitkomst: De vertrekstimuleringspremie is terecht geweigerd omdat passende functies beschikbaar waren; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.