ECLI:NL:CRVB:2021:2518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig op uitkeringsadres
Appellant, afkomstig uit Syrië en sinds 2016 in Nederland, ontving bijstand op grond van de Participatiewet met inschrijving op een uitkeringsadres waar hij een kamer huurde. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op dat adres, mede omdat medebewoners appellant niet kenden en zijn persoonlijke spullen elders waren aangetroffen.
Appellant voerde aan wel op het uitkeringsadres te hebben verbleven en dat zijn woon- en leefsituatie vanwege culturele en geloofsovertuigingen complex was. Hij betwistte de bewijsvoering en stelde dat het college zijn briefgeheim had geschonden. De Raad verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het college de inlichtingenverplichting terecht vond geschonden en dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld, was het college verplicht de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Een belangenafweging of toepassing van het evenredigheidsbeginsel was niet mogelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.