Uitspraak
19 5157 PW
11 november 2019, 18/2187 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2012 bijstand en werd onderzocht na een anonieme melding over samenwoning met haar vriend. Een onaangekondigd huisbezoek leidde tot een verklaring van appellante dat zij sinds 1 juli 2016 een gezamenlijke huishouding voerde met X. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat voldaan was aan het vereiste van informed consent, omdat appellante een formulier ondertekende waarin zij geïnformeerd werd over het huisbezoek en de gevolgen van weigering.
Appellante stelde dat zij psychisch minder belastbaar was en haar verklaring daarom niet betrouwbaar was, maar dit werd verworpen. De Raad vond dat de verklaring rechtsgeldig was afgelegd en dat er voldoende objectieve feiten waren om te concluderen dat sprake was van gezamenlijke huishouding met hoofdverblijf en wederzijdse zorg.
De latere verklaringen van appellante en X die een latere start van samenwoning stelden, werden minder zwaar gewogen dan de verklaring tijdens het huisbezoek. De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 juli 2016 tot 31 augustus 2017 en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd en het hoger beroep afgewezen.