ECLI:NL:CRVB:2021:2575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- L.M. Tobé
- D. HardonkPrins
- E.J. Otten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget wegens ontbreken vertegenwoordiger
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening voor begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) om zijn hulpverlener te behouden. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat hij zelf of met hulp van een sociaal netwerk of vertegenwoordiger in staat moet zijn de aan het pgb verbonden taken uit te voeren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat er een bewindvoerder en mentor zijn en dat het onredelijk is dat deze al benoemd moeten zijn voor het verstrekken van het pgb.
De Raad oordeelde dat appellant niet zelf of met hulp van zijn sociale netwerk in staat is de taken te verrichten en dat er geen vertegenwoordiger is die deze taken namens hem kan uitvoeren. Het college mocht op goede gronden de verstrekking van het pgb weigeren. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt afgewezen wegens ontbreken van een vertegenwoordiger die de taken namens appellant kan uitvoeren.