ECLI:NL:CRVB:2021:258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onroerend goed en drugshandel
Appellant ontving bijstand vanaf november 2010, maar bleek eigenaar te zijn van twee appartementen in Turkije met een gezamenlijke waarde van circa €97.640,-, wat boven de vermogensgrens viel. Daarnaast is op grond van het strafrechtelijk dossier vastgesteld dat appellant inkomsten genoot uit drugshandel, wat niet was gemeld.
Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem trok de bijstand met ingang van januari 2016 in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode 2010-2015. Appellant voerde aan dat de appartementen zonder zijn medeweten op zijn naam stonden en dat hij geen voordeel had gehad, en betwistte de drugshandel.
De rechtbank oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege het niet melden van vermogen en inkomsten. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat het vermogen onder de grens was gedaald en dat de detentie geen vrijstelling van de inlichtingenplicht gaf.
De Raad wees ook het beroep tegen de terugvordering af en bevestigde dat appellant vanaf januari 2016 geen recht had op bijstand vanwege detentie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens bezit van onroerend goed en inkomsten uit drugshandel.