ECLI:NL:CRVB:2021:2581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek verhoging WAO-uitkering wegens niet doorlopen wachttijd
Appellant ontvangt sinds 2007 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een periode van werken en ziekmeldingen in 2014 en 2015 ontving hij Ziektewet- en Werkloosheidswet-uitkeringen, die telkens werden gekort op zijn WAO-uitkering. Appellant verzocht in 2019 om verhoging van zijn WAO-uitkering met ingang van januari 2016, gebaseerd op een hoger dagloon.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet aan de wettelijke vereiste van een nieuwe wachttijd van 104 weken doorlopende arbeidsongeschiktheid voldeed, omdat hij tussen 2014 en 2015 hersteld was verklaard. Dit oordeel werd in hoger beroep bevestigd. De Raad benadrukte dat de hersteldverklaringen rechtsgeldig zijn en dat de situatie van volledige arbeidsongeschiktheid sinds 2007 niet automatisch betekent dat appellant in 2014 of 2015 ongeschikt was voor arbeid.
Verder overwoog de Raad dat het handelen of nalaten van de bewindvoerder, waaronder het niet eerder indienen van bezwaar, voor rekening en risico van appellant komt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering wordt bevestigd.