Uitspraak
28 april 2015, 14/4249 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en werd onder bewind gesteld. Na melding van inschrijving van een derde persoon en haar zoon op het adres van appellant, stelde het college een onderzoek in en trok de bijstand in over een periode vanwege het niet melden van een gezamenlijke huishouding. Tevens werd een boete opgelegd.
Appellant maakte bezwaar tegen de besluiten, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdig indienen. In hoger beroep voerde appellant aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was door nalatigheid van zijn overleden bewindvoerder en een beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening van appellant komt en dat het college geen ondubbelzinnige toezeggingen heeft gedaan. Voor het boetebesluit was inmiddels een inhoudelijke beslissing genomen, waardoor het hoger beroep daarop niet-ontvankelijk is. Daarnaast stelde de Raad vast dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, waardoor het boetebesluit wordt vernietigd en de boete komt te vervallen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten van appellant en dient het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid voor het intrekkingsbesluit, verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het boetebesluit en vernietigt het boetebesluit wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding.