ECLI:NL:CRVB:2021:2592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herzieningsverzoek WIA-uitkering na eerdere afwijzing
Appellant, voormalig bankwerker/lasser, heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd, die telkens werd afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een verzoek tot herziening in 2018, waarbij appellant nieuwe medische stukken en rapporten aanvoerde, weigerde het UWV opnieuw de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV het herzieningsverzoek correct had beoordeeld en dat het bezwaar zorgvuldig was behandeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was geweest en dat belangrijke nieuwe medische informatie niet was meegewogen, waaronder een traumatisch ongeval en psychiatrische diagnoses. Ook stelde hij dat de verzekeringsartsen onjuiste conclusies hadden getrokken over zijn behandelgeschiedenis. Het UWV verwees naar een aanvullend rapport van een verzekeringsarts ter onderbouwing van de eerdere besluiten.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht heeft beoordeeld dat er geen reden was om terug te komen op eerdere WIA-beoordelingen. De Raad vond dat de verzekeringsartsen de medische situatie adequaat hadden beoordeeld en dat het bezwaar zorgvuldig was behandeld. Het rapport van Boogh Arbeid werd niet als medisch relevant beschouwd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.