Uitspraak
20 1490 WIA, 20/3165 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2016 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek van haar ex-werkgever werd een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Het UWV beëindigde daarop de uitkering per een toekomstige datum, met toepassing van de uitlooptermijn van artikel 117 Wet Pro WIA.
Appellante voerde aan dat de uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht was beëindigd en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer op basis van een psychiatrisch rapport dat een gegeneraliseerde angststoornis stelde. De rechtbank wees het beroep af, maar de Centrale Raad vernietigde het besluit tot terugwerkende beëindiging en bevestigde dat het UWV bevoegd was de uitkering te heroverwegen en te beëindigen met inachtneming van de wettelijke uitlooptermijn.
De Raad oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd was, dat de beperkingen niet waren onderschat en dat de geselecteerde functies passend waren, ook gezien de beperkte beheersing van de Nederlandse taal door appellante. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard.
Tot slot werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief griffierecht.
Uitkomst: De WIA-uitkering is terecht beëindigd per een toekomende datum met inachtneming van de wettelijke uitlooptermijn; het beroep van appellante wordt afgewezen.