ECLI:NL:CRVB:2021:2688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV geen loonsanctie wegens voldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Appellante was sinds november 2010 werkzaam als verkoopmedewerkster en viel in september 2013 ziek uit na een val. Na gedeeltelijke werkhervatting viel zij in juni 2014 opnieuw uit en bouwde zij haar werkzaamheden geleidelijk op tot 28 uur per week. In november 2015 viel zij volledig uit.
Het UWV besloot in juni 2016 dat appellante geen WIA-uitkering kreeg omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en legde geen loonsanctie op aan de werkgever omdat diens re-integratie-inspanningen voldoende waren. Appellante maakte bezwaar met het argument dat de tweede spoor re-integratie te laat was ingezet en dat het besluit te laat was genomen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het beroep af, stellende dat de werkgever tijdig en adequaat had gehandeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de re-integratie moeizaam verliep en dat de werkgever onvoldoende voortvarend was bij de inzet van het tweede spoor. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV en de rechtbank terecht hadden geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren. De Raad benadrukte dat tot het moment van de uitval in november 2015 geen reden was om het tweede spoor eerder in te zetten en dat de werkgever na uitval passende stappen had genomen, ondanks tussentijdse tegenslagen zoals een verkeersongeval.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 oktober 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen loonsanctie wordt opgelegd omdat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende waren.