ECLI:NL:CRVB:2021:272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen bij COPD
Appellant, werkzaam als beveiliger, meldde zich in 2009 ziek met psychische klachten en ontving sindsdien een WIA-uitkering. Na diverse beoordelingen stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen door COPD en andere klachten waren toegenomen, wat volgens hem onvoldoende werd erkend in de functionele mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen. De verzekeringsarts had het protocol COPD correct toegepast en alle klachten waren adequaat betrokken in de beoordeling. De arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd eveneens onderschreven.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat de beperkingen onveranderd zijn gebleven, mede gebaseerd op recente longartsinformatie. Het standpunt van appellant dat het protocol COPD onvoldoende werd toegepast, wordt verworpen. Er is geen recht op herleving van de WIA-uitkering omdat geen toename van beperkingen is vastgesteld.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd wegens ontbreken van toegenomen beperkingen.