ECLI:NL:CRVB:2020:2632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling en toetsing volgens arrest Korošec
Appellante, die sinds 2011 arbeidsongeschikt was verklaard met een WIA-uitkering, werd in 2017 herbeoordeeld door het UWV. De verzekeringsarts stelde vast dat zij niet geschikt was voor haar laatst verrichte werk, maar wel belastbaar binnen beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van geselecteerde functies werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, waarna de WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep een gewijzigde FML opstelde met aanvullende beperkingen, maar de arbeidsdeskundige bleef bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er geen schending was van het equality of arms-beginsel. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende was, dat protocollen niet waren gevolgd en dat een onafhankelijke deskundige moest worden benoemd.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de protocollen slechts hulpmiddelen zijn en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt te onderbouwen. Er was geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na een zorgvuldig onderzoek.