Appellante heeft een maatwerkvoorziening in de vorm van zonwerende folie aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Groningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), vanwege overgevoeligheid voor zonlicht.
Het college wees de aanvraag af, gebaseerd op een medisch advies waarin werd geconcludeerd dat de lichtovergevoeligheid niet het gevolg is van een inwendige aandoening. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, met verwijzing naar verklaringen van haar huisartsen, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar gronden zonder nieuwe feiten of argumenten aan te dragen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het college terecht het standpunt innam dat appellante niet in aanmerking komt voor de voorziening ter compensatie van een beperking in zelfredzaamheid of participatie.
Daarnaast verzocht appellante om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de bestuursfase van de procedure met bijna vijf maanden werd overschreden en kende een vergoeding van €500 toe, evenals een proceskostenvergoeding van €374 aan appellante.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het college tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.