ECLI:NL:CRVB:2021:2723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2021
Publicatiedatum
3 november 2021
Zaaknummer
19/2465 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening zonwerende folie onder Wmo 2015 bevestigd

Appellante heeft een maatwerkvoorziening in de vorm van zonwerende folie aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Groningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), vanwege overgevoeligheid voor zonlicht.

Het college wees de aanvraag af, gebaseerd op een medisch advies waarin werd geconcludeerd dat de lichtovergevoeligheid niet het gevolg is van een inwendige aandoening. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, met verwijzing naar verklaringen van haar huisartsen, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep herhaalde appellante haar gronden zonder nieuwe feiten of argumenten aan te dragen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het college terecht het standpunt innam dat appellante niet in aanmerking komt voor de voorziening ter compensatie van een beperking in zelfredzaamheid of participatie.

Daarnaast verzocht appellante om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de bestuursfase van de procedure met bijna vijf maanden werd overschreden en kende een vergoeding van €500 toe, evenals een proceskostenvergoeding van €374 aan appellante.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het college tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 en proceskosten van €374.

Uitspraak

19 2465 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 3 november 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
10 mei 2019, 18/2142 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 22 september 2021. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.K.L. Vos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1982, heeft onder meer in verband met klachten van overgevoeligheid voor zonlicht bij het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening aangevraagd in de vorm van zonwerende folie. Bij besluit van 30 mei 2017, gehandhaafd bij besluit van 3 juli 2018 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft het college zich gebaseerd op het door de medisch adviseur uitgebrachte advies van 17 oktober 2017, waarin, onder verwijzing naar een brief van dr. Langendonk (internist) en
dr. E. Friesema (hoofd laboratorium), is vermeld dat de laboratoriumuitslagen normaal zijn en dat dit betekent dat de lichtovergevoeligheid van appellante niet door een inwendige aandoening van de aanmaak van hemoglobine wordt veroorzaakt.
1.2.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft daarbij, onder verwijzing naar verklaringen van haar eigen huisarts Rozing en van huisarts Adriaansens aangevoerd dat haar aanvraag ten onrechte is afgewezen. Ook is de gevraagde zonwerende folie volgens appellante geen algemeen gebruikelijke voorziening.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante de beroepsgronden in haar beroepschrift herhaald.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellante heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank dat het college zich heeft mogen baseren op het advies van de medisch adviseur van 17 oktober 2017, dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat niet gebleken is dat appellante ingevolge de Wmo 2015 ter compensatie van een beperking in de zelfredzaamheid of participatie in aanmerking komt voor verstrekking van de aangevraagde zonwerende folie en dat niet wordt toegekomen aan de beoordeling of deze folie algemeen gebruikelijk is.
4.4.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.1.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Voor de wijze van beoordeling van een dergelijk verzoek wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Voor dit geval betekent dit het volgende.
5.2.
Vanaf de ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 12 juni 2017 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en bijna vijf maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna vijf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van
€ 500,-.
5.3.
De behandeling van het bezwaar door het college heeft afgerond één jaar en één maand geduurd. De behandeling van het beroep en hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 11 juli 2018 tot de datum van deze uitspraak niet meer dan drie en een half jaar geduurd. Daarmee is vastgesteld dat de redelijke termijn alleen in de bestuurlijke fase is geschonden. Aan appellante zal daarom een schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, te betalen door het college.
5.4.
Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante die zijn gerelateerd aan het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 374,- (1 punt voor het verzoek, wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 374,-.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) D. Al-Zubaidi