ECLI:NL:CRVB:2021:2761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet vervulde wachttijd
Appellante was werkzaam als medewerker backoffice en meldde zich ziek met fibromyalgie en psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze omdat zij volgens medisch en arbeidskundig onderzoek meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Tevens werd een WIA-uitkering geweigerd omdat de wettelijke wachttijd van 104 weken niet was vervuld.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, omdat de verzekeringsartsen een volledig en zorgvuldig medisch beeld hadden gevormd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De geselecteerde functies overschreden de belastbaarheid van appellante niet.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV ten onrechte de ZW-uitkering beëindigde en dat de FML geen geschikt instrument was. Ook stelde zij dat de geselecteerde functies niet bestonden en dat haar beperkingen groter waren. De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd was de ZW-beoordeling uit te voeren en dat de medische beoordeling juist en volledig was. De aanvullende medische informatie van een reumatoloog bood geen aanleiding tot een andere conclusie.
De Raad bevestigde dat appellante de wachttijd voor de WIA-uitkering niet had vervuld en dat het UWV terecht de WIA-uitkering weigerde. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet vervulde wachttijd.