ECLI:NL:CRVB:2021:277
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering en toekenning schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding
Appellante was sinds 22 oktober 1984 werkzaam als kassière en viel op 24 november 1987 wegens ziekte uit. Zij vroeg in 2011 en 2015 om een WAO-uitkering op grond van haar arbeidsongeschiktheid vanaf 1987. Het UWV weigerde deze uitkering omdat er onvoldoende medisch bewijs was dat zij per 24 november 1988 arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische situatie per die datum niet met zekerheid kon worden vastgesteld, wat voor risico van appellante kwam.
In hoger beroep stelde appellante dat zij op 23 november 1988 nog ongeschikt was voor haar werk en dat de geschiktheidsverklaring destijds alleen was afgegeven om een WW-uitkering mogelijk te maken. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht geen WAO-uitkering toekende omdat de belastbaarheid per 24 november 1988 niet kon worden vastgesteld aan de hand van objectiveerbare medische gegevens.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De totale procedure duurde ruim zeven maanden langer dan de redelijke termijn van vier jaar, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.000,-, waarvan €571,43 voor rekening van het UWV en €428,57 voor de Staat. Ook werden proceskosten van €267,- aan appellante toegekend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De beslissing werd op 10 februari 2021 in het openbaar uitgesproken door M.E. Fortuin.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV weigert de WAO-uitkering toe te kennen; schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt toegekend.