ECLI:NL:CRVB:2021:2796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit vermogensvaststelling bij terugvordering bijstand wegens niet aannemelijke schuld
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, toegekend in afwachting van nader te ontvangen middelen uit een boedelscheiding. Bij een heronderzoek stelde het college vast dat appellante een bedrag van €11.049,78 had ontvangen, waarbij het vrij te laten vermogen werd overschreden met €1.554,69. Het college hield bij de vermogensvaststelling geen rekening met een door appellante gestelde schuld van €7.000,- aan haar zwager, omdat het bestaan van deze schuld niet aannemelijk was gemaakt.
Appellante overhandigde een geldleenovereenkomst en een bewijs van terugbetaling, maar kon niet aantonen dat zij het geleende bedrag daadwerkelijk had ontvangen. De Raad oordeelde dat het college terecht mocht verlangen dat appellante bewijs leverde van ontvangst, vooral omdat zij bij de aanvraag van de bijstand geen melding had gemaakt van deze schuld terwijl hier expliciet naar werd gevraagd.
De leenovereenkomst en de overschrijving van €7.000,- naar de bankrekening van X werden niet als voldoende bewijs gezien om aan te nemen dat het bedrag feitelijk beschikbaar was gesteld. Appellante slaagde er niet in het bestaan van de schuld aannemelijk te maken, waardoor het college de schuld terecht niet meenam in de vermogensberekening.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college heeft terecht geen rekening gehouden met de niet aannemelijk gemaakte schuld van €7.000,-.