ECLI:NL:CRVB:2021:2805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet doorlopen wachttijd
Appellante was werkzaam als medewerker thuiszorg en meldde zich ziek met psychische klachten. Na een hersteldverklaring per 30 maart 2016 werd zij per 6 april 2016 geschikt geacht voor haar werk, waardoor het ziekengeld ten onrechte werd doorbetaald. Het UWV weigerde daarop een WIA-uitkering omdat de vereiste wachttijd van 104 weken niet was doorlopen.
Appellante maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en dat het medisch onderzoek door het UWV niet zorgvuldig was, mede omdat de verzekeringsarts geen informatie van haar psychiater had ontvangen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep slaagt het beroep niet.
De Raad oordeelt dat de hersteldverklaring niet doorslaggevend is en dat het doorbetalen van ziekengeld geen recht geeft op het vertrouwen dat de wachttijd is doorlopen. De medische beoordeling van de verzekeringsarts, die geen aanwijzingen vond voor ernstige psychiatrische beperkingen, wordt gevolgd. Er is geen aanleiding een onafhankelijk deskundige te benoemen.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de wachttijd niet is doorlopen.