ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerd besluit UWV over arbeidsongeschiktheid en wachttijd WIA-uitkering
De werknemer was sinds 1983 in dienst bij de werkgeefster en meldde zich op 15 februari 2005 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten. Na ontbinding van het dienstverband in mei 2005 vroeg de werknemer een WIA-uitkering aan. Het UWV kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%, maar de werkgeefster maakte bezwaar en het besluit werd door de rechtbank vernietigd wegens onvoldoende motivering over de onafgebroken ziekte tijdens de wachttijd.
Zowel het UWV als de werkgeefster gingen in hoger beroep. De Raad beoordeelde of het UWV terecht aannam dat de werknemer vanaf 15 februari 2005 onafgebroken arbeidsongeschikt was. De Raad concludeerde dat de hersteldmelding van mei 2005 niet doorslaggevend is en dat het UWV terecht aannam dat de werknemer tot 15 mei 2005 arbeidsongeschikt was. Echter, voor de periode na 15 mei 2005 tot september 2005 en na mei 2006 ontbrak een deugdelijke medische motivering. Het rapport van de verzekeringsarts uit juli 2008 kon niet als nadere motivering dienen omdat het de actuele mate van arbeidsongeschiktheid betrof.
De Raad oordeelde dat het standpunt van het UWV onvoldoende rekening hield met de bevindingen van de behandelend psychiater die in mei 2006 geen depressieve stoornis meer kon vaststellen. Ook het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er nog symptomen waren, werd onvoldoende gemotiveerd geacht. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd een griffierecht opgelegd aan het UWV.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw, zorgvuldig gemotiveerd besluit nemen.