ECLI:NL:CRVB:2021:2815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en afwijzing WIA-uitkering na medische beoordeling
Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerkster en meldde zich ziek per 18 oktober 2017. Zij ontving een Ziektewetuitkering (ZW). Het Uwv beëindigde haar ZW-uitkering per 13 oktober 2019 op grond van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die aangaf dat zij meer dan 65% van haar maatmanloon kon verdienen. Tevens werd een WIA-uitkering geweigerd omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
Appellante maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de beëindiging van de ZW-uitkering niet-ontvankelijk. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel omdat het bezwaar zich wel degelijk tegen de beëindiging van de ZW-uitkering richtte. De Raad stelt vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig en navolgbaar was en dat de arbeidsdeskundige passende functies selecteerde.
De Raad bevestigt dat de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering op juiste gronden berusten. De medische stukken uit Bulgarije die appellante in hoger beroep overlegt, leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de ZW-uitkering en weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten.