ECLI:NL:CRVB:2021:2817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens late aanvraag zonder bijzonder geval
Appellante diende haar WW-uitkering pas op 18 augustus 2019 in, terwijl de eerste werkloosheidsdag op 1 juni 2018 lag. Het UWV weigerde de uitkering over de periode vóór 26 weken voorafgaand aan de aanvraag uit te betalen, omdat niet voldaan werd aan de termijnvereiste. Appellante stelde dat zij op grond van toezeggingen van het UWV en bijzondere omstandigheden, waaronder taalproblemen en een echtscheiding, gerechtvaardigd vertrouwen had dat zij nog geen aanvraag hoefde in te dienen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellante geen objectief bewijs leverde van eerdere contacten of toezeggingen. Ook was er geen sprake van een bijzonder geval dat afwijking van de wettelijke termijn rechtvaardigt. De Raad onderschreef deze overwegingen en benadrukte dat het begrip bijzonder geval restrictief wordt uitgelegd en dat appellante de bewijslast draagt.
Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Hiermee blijft het besluit van het UWV om de WW-uitkering niet uit te betalen over de periode vóór 26 weken voorafgaand aan de aanvraag ongewijzigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WW-uitkering wegens late aanvraag wordt bevestigd.