Appellante, jonger dan 27 jaar, ontving bijstand en verrichtte vrijwilligerswerk waarvoor zij een vergoeding kreeg. Het college herzag en verrekende haar bijstand op grond van artikel 31, vijfde lid, PW, waarbij de volledige vergoeding als inkomen werd aangemerkt. Appellante stelde dat het leeftijdscriterium discriminerend was en dat een deel van de vergoeding een onkostenvergoeding betrof die niet als middel mag worden beschouwd.
De Raad oordeelde dat het onderscheid in leeftijd objectief en redelijk is gerechtvaardigd vanwege de specifieke situatie van jongeren en het stimuleren van leren en werken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen toezeggingen of gedragingen van het college aannemelijk waren gemaakt.
Wel werd geoordeeld dat de vergoeding deels een zuivere onkostenvergoeding betrof die niet als inkomen mag worden meegeteld. Het college had zonder nader onderzoek de volledige vergoeding verrekend, wat onjuist was. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en herroept de eerdere herzienings- en boetebesluiten. Het college werd veroordeeld in de proceskosten.