Uitspraak
20.1856 AW
OVERWEGINGEN
.
.Dit betoog slaagt niet. De Raad overweegt hiertoe het volgende.
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig ambtenaar bij de [Dienst], verzocht op 7 maart 2016 om ontslag met toekenning van een stimuleringspremie. Dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen, waarna appellant met pensioen ging en eervol ontslag kreeg op grond van artikel 94 ARAR Pro. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. De Raad bevestigde dit in 2019 en stelde dat nadere besluitvorming nodig was, ook over het schadevergoedingsverzoek.
Appellant stelde dat hij door de onrechtmatige afwijzing schade had geleden omdat hij zijn levensloopsaldo moest aanspreken voor levensonderhoud gedurende drie maanden. De staatssecretaris betwistte dit. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af en in hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak.
De Raad overwoog dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het onrechtmatige besluit tot daadwerkelijke schade had geleid. Het inkomen van appellant bestond al sinds april 2015 uit een WIA-uitkering en keuzepensioen, en het gebruik van levenslooptegoed gedurende drie maanden leidde niet tot een netto vermogensschade, omdat het tegoed alsnog werd uitbetaald bij ontslag. Andere schade werd niet aannemelijk gemaakt.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat appellant geen schade heeft aangetoond door het onrechtmatige besluit.