ECLI:NL:CRVB:2021:2858

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
21/359 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbAlgemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van kinderbijslaguitspraak niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijn

Verzoekster heeft bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) kinderbijslag aangevraagd voor haar zoon, maar dit werd afgewezen omdat de zoon ouder was dan 18 jaar. Na bezwaar en beroep bevestigden rechtbank en Raad de afwijzing. Verzoekster vroeg vervolgens om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2018.

De Raad beoordeelde het verzoek om herziening op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel stelt dat herziening alleen mogelijk is bij nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. In deze zaak werden geen nieuwe feiten gesteld.

Daarnaast geldt volgens vaste rechtspraak dat een verzoek om herziening niet onredelijk laat mag worden ingediend. Het verzoek van verzoekster was meer dan een jaar na de uitspraak ingediend, zonder nieuwe feiten, en is daarmee onredelijk laat.

De Raad verklaarde het verzoek om herziening niet-ontvankelijk en wees proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat op 18 november 2021.

Uitkomst: Het verzoek om herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijn en het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

21.359 AKW

Datum uitspraak: 18 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2018, 18/3102
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3625).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 14 december 2016 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag voor de zoon van verzoekster ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet afgewezen, omdat de zoon ouder is dan 18 jaar. Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2017 heeft de Svb het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 16 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster te laat bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit.
1.2.
Het door verzoekster tegen het besluit van 16 augustus 2017 ingestelde beroep is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 23 april 2018, 17/5265, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3625, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.
1.3.
Een eerder verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 november 2018 heeft de Raad afgewezen bij uitspraak van 23 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2610.
2. Bij brief van 15 december 2020 heeft verzoekster weer gevraagd om herziening van de uitspraak van 15 november 2018 en verzocht haar recht op kinderbijslag opnieuw te beoordelen.
3. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060) geldt dat van degene die herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.2.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, als het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden dan wel, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld, na de openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
4.3.
De hiervoor in 4.1 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 4.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.
4.4.
In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete,
zijn bij het herzieningsverzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld en is het herzieningsverzoek meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2021.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) D. Al-Zubaidi

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) déclare la requête de révision non recevable.
Par conséquent, décidée par M. Wolfrat en présence de D. Al-Zubaidi en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 18 novembre 2021.