ECLI:NL:CRVB:2021:286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten beheer persoonsgebonden budget wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van beheer van zijn persoonsgebonden budget (pgb) door zijn bewindvoerder voor het jaar 2017. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees deze aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb, waardoor de kosten niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 lid 1 van Pro de Participatiewet konden worden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege vertrouwensproblemen met hulpverlening was aangewezen op zorg via een pgb en dat het college hem op grond van een e-mailbericht en een verklaring van zijn zorgverlener bijzondere bijstand had moeten verlenen. De Raad oordeelde echter dat uit de aangevoerde stukken niet volgt dat appellant was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb; een voorkeur voor pgb maakt dit niet noodzakelijk.
Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat appellant niet aannemelijk maakte dat het college toezeggingen had gedaan waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden dat bijzondere bijstand zou worden toegekend. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb omdat deze niet als noodzakelijke kosten worden aangemerkt.