ECLI:NL:CRVB:2021:286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
12 februari 2021
Zaaknummer
18/3076 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 lid 1 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten beheer persoonsgebonden budget wegens ontbreken noodzakelijkheid

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van beheer van zijn persoonsgebonden budget (pgb) door zijn bewindvoerder voor het jaar 2017. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees deze aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb, waardoor de kosten niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 lid 1 van Pro de Participatiewet konden worden beschouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege vertrouwensproblemen met hulpverlening was aangewezen op zorg via een pgb en dat het college hem op grond van een e-mailbericht en een verklaring van zijn zorgverlener bijzondere bijstand had moeten verlenen. De Raad oordeelde echter dat uit de aangevoerde stukken niet volgt dat appellant was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb; een voorkeur voor pgb maakt dit niet noodzakelijk.

Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat appellant niet aannemelijk maakte dat het college toezeggingen had gedaan waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden dat bijzondere bijstand zou worden toegekend. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb omdat deze niet als noodzakelijke kosten worden aangemerkt.

Uitspraak

18.3076 PW

Datum uitspraak: 2 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 april 2018, 17/5877 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.G.W. van Wees, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2020. Namens appellant is mr. Van Wees verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
P.T.F.A. de Boer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 23 maart 2017 bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van beheer van zijn persoonsgebonden budget (pgb) door zijn bewindvoerder voor het jaar 2017 tot een bedrag van € 589,15.
1.2.
Bij besluit van 31 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb, zodat de kosten van het beheer van het pgb niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten zich voordoen. In geschil is alleen of de kosten noodzakelijk zijn.
4.3.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag.
4.4.
Niet in geschil is dat voor appellant de mogelijkheid bestond van ZIN. Appellant heeft aangevoerd dat hij niettemin was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb omdat hij door zijn problematiek grote vertrouwensproblemen heeft met hulpverlening. Hij heeft daarbij verwezen naar een e-mailbericht van een medewerker van het wijkteam van 30 mei 2017 aan een medewerker van de gemeente Arnhem die de aanvraag van appellant in behandeling had, en naar een verklaring van zijn zorgverlener.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het onder 4.4 bedoelde e-mailbericht staat het volgende:
“Ik heb deze inwoner gekoppeld aan een zorgaanbieder die (nog) niet gecontracteerd is met gemeente Arnhem. Ik heb deze aanbieder gekozen op grond van een mooie match met de zorgvrager. De leerbaarheid van deze jongen hangt sterk samen met de mate waarin hij vertrouwen kan opbrengen in de hulpverlener. Met deze inzet heb ik dat gat gedicht. Uiteraard is er een begeleidingsvorm mogelijk die ondergebracht kan worden in ZIN, echter is deze maatwerk-voorziening meer passend.”
De verklaring van de zorgverlener, die overigens ongedateerd en niet ondertekend is, bevestigt dat appellant graag hulp van haar wilde omdat hij vertrouwen in haar had en dat de wijkcoach dat belangrijk vond. Hieruit volgt, anders dan appellant betoogt, niet dat appellant was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb en dat het voor hem niet mogelijk was zorg van een andere hulpverlener te ontvangen, hooguit dat zorgverlening in de vorm van een pgb voor appellant wenselijk was. De omstandigheid dat appellant de voorkeur geeft aan ondersteuning in de vorm van een pgb in plaats van ZIN, maakt die keuze naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 21 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1654, en van 19 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1123) niet noodzakelijk. De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zijn dan ook niet aan te merken als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
4.6.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant voorts aangevoerd dat appellant er op mocht vertrouwen dat het advies dat de medewerker van het wijkteam aan hem heeft gegeven, te weten de zorg in de vorm van een pgb te gaan ontvangen, zou leiden tot toekenning van bijzondere bijstand. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.7.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559). Uit het onder 4.4 bedoelde en in 4.5 geciteerde emailbericht kan niet worden afgeleid dat van de zijde van het college een toezegging of een uitlating is gedaan of een gedraging is verricht waaruit appellant redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hem bijzondere bijstand zou worden verstrekt voor de kosten van het beheer van het pgb.
4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van Y. al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2021.
(getekend) M. ter Brugge
(getekend) Y. al-Qaq