ECLI:NL:CRVB:2021:2902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onevenredig zware last door AOW-gat bij verhoging AOW-leeftijd
Betrokkene kreeg een AOW-pensioen toegekend vanaf de verhoging van de AOW-leeftijd, waardoor hij zes maanden AOW miste (het AOW-gat). Hij maakte bezwaar omdat hij het pensioen vanaf zijn 65ste verjaardag wilde ontvangen, stellende dat dit een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht was en dat er sprake was van leeftijdsdiscriminatie.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees het bezwaar af, stellende dat betrokkene geen onevenredig zware last droeg omdat hij een inkomen boven het bestaansminimum had en niet in aanmerking kwam voor een overbruggingsuitkering. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de Svb onvoldoende individueel onderzoek had gedaan naar de bijzondere omstandigheden van betrokkene.
In hoger beroep voerde de Svb aan dat zij inmiddels een zorgvuldiger toetsing verrichtte, waarbij ook de financiële situatie tijdens het AOW-gat werd betrokken. De Raad oordeelde dat het AOW-gat weliswaar financieel nadeel oplevert, maar dat betrokkene zich hierop sinds 2012/2013 kon instellen en dat er geen bijzondere schrijnende omstandigheden waren die een onevenredig zware last vormden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, behalve voor zover deze de Svb opdracht gaf tot een nieuw besluit, en liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van de erven.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden in stand gelaten; er is geen sprake van een onevenredig zware last door het AOW-gat.