ECLI:NL:CRVB:2021:2935

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
21/1717 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7, zesde lid, aanhef en onder a AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op tweevoudige kinderbijslag wegens ontbreken causaal verband uitwonendheid en ziekte kind

Appellante ontving tot het eerste kwartaal van 2019 tweevoudige kinderbijslag voor haar zoon met autisme en een ontwikkelingsachterstand, die toen bij haar in huis woonde. Na verhuizing van de zoon naar de moeder van appellante in Haarlem, stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat er geen recht meer was op tweevoudige kinderbijslag omdat het uitwonend zijn niet verband hield met de ziekte van de zoon.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat onvoldoende medisch bewijs was geleverd voor een causaal verband tussen de ziekte en het uitwonend zijn. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verhuizing verband hield met de ziekte en de thuissituatie, mede door de geboorte van een tweede kind.

De Raad oordeelde dat appellante niet met medische stukken had aangetoond dat het uitwonend zijn van haar zoon verband hield met diens ziekte. Het verblijf bij de grootmoeder was een tijdelijke oplossing vanwege de thuissituatie en niet hoofdzakelijk door de ziekte veroorzaakt. Daarom is er geen recht op tweevoudige kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2019.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Appellante heeft geen recht op tweevoudige kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2019 wegens ontbreken van causaal verband tussen uitwonend zijn en ziekte van haar zoon.

Uitspraak

21.1717 AKW

Datum uitspraak: 18 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 april 2021, 19/3011 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. van der Veen, jurist, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2021 via beeldbellen. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante ontving tot en met het eerste kwartaal van 2019 tweevoudige kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar zoon [naam zoon] , geboren op
[geboortedatum] 2013, die tot haar huishouden in Sittard behoorde. [naam zoon] heeft een vorm van autisme en een ontwikkelingsachterstand. Op 11 februari 2019 is [naam zoon] verhuisd naar de moeder van appellante (oma) in Haarlem. Hij is daar speciaal onderwijs gaan volgen.
1.2.
Bij besluit van 24 mei 2019 heeft de Svb vastgesteld dat appellante vanaf het tweede kwartaal van 2019 recht heeft op enkelvoudige kinderbijslag voor [naam zoon] , omdat er geen verband is tussen het uitwonend zijn van [naam zoon] en zijn ziekte. Bij besluit van 4 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2019 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat van een causaal verband tussen het uitwonend zijn en ziekte of gebreken van [naam zoon] onvoldoende is gebleken. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat de medische situatie van [naam zoon] zodanig is dat hij om die reden niet meer thuis woont. Daarbij is in aanmerking genomen dat het verslag dat Virenze, een instelling voor ambulante geestelijke gezondheidszorg, op 20 juni 2017 over [naam zoon] 's medische toestand heeft uitgebracht, geen informatie over de noodzaak van het uitwonend zijn bevat. Hoewel vaststaat dat [naam zoon] is aangewezen op intensieve zorg, betekent dat naar het oordeel van de rechtbank niet dat het daardoor noodzakelijk is dat hij uitwonend is.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat [naam zoon] in verband met zijn ziekte uitwonend is geworden vanaf het tweede kwartaal van 2019, zodat zij recht heeft op tweevoudige kinderbijslag voor [naam zoon] . Appellante heeft op zitting toegelicht hoe op dat moment de thuissituatie was van [naam zoon] en welke invloed de geboorte in februari 2018 van haar tweede kind daarop heeft gehad. Als [naam zoon] niet ziek was geweest, was hij niet bij oma gaan wonen. Sinds een jaar woont het hele gezin van appellante, inclusief [naam zoon] , in [woonplaats] . Dat was dicht bij oma, zodat oma nog altijd kon helpen als dat nodig was. Oma is helaas in juni 2021 overleden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante vanaf het tweede kwartaal van 2019 geen recht heeft op tweevoudige kinderbijslag, omdat [naam zoon] toen niet uitwonend was in verband met zijn ziekte.
4.2.
Op grond van artikel 7, zesde lid, aanhef en onder a, van de AKW, heeft de verzekerde onder voorwaarden recht op tweevoudige kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en in verband met ziekte of gebreken van het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoort, noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander. Volgens vaste rechtspraak moet sprake zijn van een causaal verband tussen het uitwonend zijn en ziekte of gebreken. Zoals is overwogen in de uitspraak van 27 mei 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT6758) is hiervan sprake als de belangrijkste reden van het uitwonend worden gelegen is in ziekte of gebreken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank wordt ten volle onderschreven. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante niet met medische stukken heeft onderbouwd dat er sprake was van een causaal verband tussen het uitwonend zijn van [naam zoon] bij oma en zijn ziekte. Het overgelegde rapport van Virenze dateert van voor de geboorte van het tweede kind van appellante en ziet dus niet op de situatie die volgens appellante aanleiding was voor het uitwonend worden van [naam zoon] .
4.4.
Ook is overigens niet aannemelijk geworden dat sprake was van een causaal verband. Uit de toelichting van appellante op zitting is gebleken dat het verblijf van [naam zoon] bij oma was aangevangen als een tijdelijke situatie. Door de komst van een tweede kind kwam [naam zoon] thuis zorg en aandacht tekort. Appellante kon [naam zoon] op dat moment niet de rust en ontspanning bieden die hij nodig had en dat had ook gevolgen voor de verzorging van haar tweede kind. Oma bood aan de zorg voor [naam zoon] op zich te nemen om het tekort aan zorg en aandacht voor beide kinderen verder te voorkomen. Appellante is onder begeleiding eerst op zoek gegaan naar een passende school voor [naam zoon] in Haarlem. Pas toen zij daar groen licht had, is [naam zoon] verhuisd. Tegelijkertijd is appellante op zoek gegaan naar een woning in de buurt van oma, met de bedoeling dat [naam zoon] weer thuis zou komen wonen zodra een woning dichtbij oma was gevonden. Gezien deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat de belangrijkste reden van het uitwonend zijn van [naam zoon] vanaf het tweede kwartaal van 2019 was gelegen in zijn ziekte. Hiermee is overigens niet gezegd dat de Raad geen begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin appellante zich bevond en dat zij haar best heeft gedaan het zo goed mogelijk te regelen voor [naam zoon] .
4.5.
Dit betekent dat appellante vanaf het tweede kwartaal van 2019 geen recht heeft op tweevoudige kinderbijslag voor [naam zoon] . De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen als voorzitter en M. Wolfrat en M.M. van der Kade als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2021.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) R. van Doorn