Uitspraak
19 4516 WAJONG
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid sinds zijn achttiende levensjaar. Het UWV wees de aanvraag af vanwege gebrek aan voldoende objectiveerbare medische gegevens die volledige arbeidsongeschiktheid aantonen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct waren.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er destijds onvoldoende onderzoek is gedaan naar zijn psychische klachten en dat hij nooit goed heeft kunnen functioneren, onderbouwd met medische stukken en verklaringen. De Raad heeft deze stellingen onderzocht en geoordeeld dat de medische informatie en werkervaring van appellant onvoldoende onderbouwing bieden voor een andere conclusie dan die van het UWV.
De Raad benadrukt dat het beoordelingskader de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) is en dat de bewijslast bij de aanvrager ligt, zeker bij laattijdige aanvragen. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de medische conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook is geen reden om een medisch deskundige te benoemen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant heeft geen recht op een Wajong-uitkering.