Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:2955

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
21/200 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet WIAArt. 76 Wet WIAArt. 77 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Appellante ontvangt sinds 2012 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 81,66%. Na een anonieme fraudemelding startte het UWV een onderzoek waaruit bleek dat appellante vermoedelijk vanaf januari 2015 werkzaamheden verrichtte bij diverse organisaties, zonder dit volledig te melden. Hierdoor kon het UWV het recht op uitkering niet vaststellen en werd de uitkering over de periode van 15 januari 2015 tot en met 30 november 2018 ingetrokken en teruggevorderd.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk inkomsten had opgegeven en dat het UWV haar onjuist had geïnformeerd, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De Raad oordeelde dat het UWV aan haar bewijslast had voldaan en dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door geen volledige openheid te geven over haar werkzaamheden en inkomsten.

De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarbij het beroep van appellante ongegrond werd verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitkering werd terecht ingetrokken en het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

21.200 WIA

Datum uitspraak: 25 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2021, 20/888 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rhodes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante ontvangt sinds 6 februari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 81,66%.
1.2.
Op 2 februari 2014 heeft appellante een wijzigingsformulier ingediend, waarop staat dat appellante in november 2013 een vergoeding van € 75,- heeft ontvangen en in december een vergoeding van € 412,50. Als ingangsdatum is vermeld: 1 december 2013.
1.3.
Op 10 oktober 2016 heeft het Uwv een anonieme fraudemelding ontvangen. Naar aanleiding hiervan is door de afdeling Handhaving van het Uwv een onderzoek ingesteld. Op grond van de in de rapporten van 26 oktober 2017 en 21 maart 2019 neergelegde onderzoeksresultaten heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat het vermoeden bestaat dat appellante (ten minste) vanaf 15 januari 2015 werkzaamheden heeft verricht bij verschillende organisaties ([A], [B], [C] en [D]) als verplegende/verzorgende, zorgmanager, coördinator en directeur. Uit de onderzoeksrapporten komt volgens het Uwv ook naar voren dat [A] in totaal € 7.085,- heeft gefactureerd aan [C] voor door appellante verrichte werkzaamheden in de periode van januari 2016 tot en met mei 2016. Verder heeft appellante een bedrag van € 27.000,- gedeclareerd bij [C] voor door haar verrichte werkzaamheden in de periode van juli 2015 tot en met maart 2016. Ten slotte heeft het Uwv gewezen op een door appellante bij de rechtbank Amsterdam gestarte procedure waarin zij stelt met [D] een arbeidsovereenkomst te hebben, waarbij een loon van € 6.500,- per maand is overeengekomen. Door het Uwv is geconcludeerd dat appellante niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting door geen openheid van zaken te geven over de aard en omvang van haar werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten. Hierdoor kan het recht op WIA-uitkering niet worden vastgesteld, dient de uitkering te worden ingetrokken en het onverschuldigd betaalde te worden teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 5 april 2019 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante over de periode van 15 januari 2015 tot en met 30 november 2018 ingetrokken omdat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld en is over die periode een bedrag van € 92.408,36 bruto aan teveel ontvangen WIA-uitkering van appellante teruggevorderd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 10 januari 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het ingediende beroepschrift op geen enkele wijze op het bestreden besluit ziet. De in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de goede procesorde ingediend en daarom niet door haar beoordeeld.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de inlichtingenverplichting niet is geschonden. Zij heeft wel degelijk opgegeven dat zij € 750,- per maand verdiende, maar zij kan het bewijsstuk hiervan niet vinden. Het Uwv kan in haar systemen nagaan of deze melding daadwerkelijk is gedaan. Ook heeft appellante gesteld dat de inkomsten over de periode van april 2016 tot en met november 2018 duidelijk zijn en dat het recht op uitkering alsnog is vast te stellen. Ook was duidelijk dat haar werkzaamheden bij [A] op 15 januari 2016 zijn gestart, zodat het Uwv het recht op uitkering pas vanaf die datum kan herzien. Het recht op uitkering is volgens appellante wel degelijk vast te stellen omdat zij in de periode die voorligt werkzaamheden heeft verricht voor [C] en [D]. Ook is volgens appellante geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst met [D] omdat zij deze zelf eenzijdig heeft opgesteld en haar loon nooit is vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
In artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat de verzekerde die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering aan het Uwv verstrekt.
4.1.2.
In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van Wet WIA is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van artikel 27 het Pro recht op uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.
4.1.3.
Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA wordt een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro verweerder onverschuldigd is betaald of verstrekt door verweerder teruggevorderd. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat verweerder kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.2.
Een besluit tot herziening of intrekking van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:474).
4.3.
Het Uwv heeft voldaan aan deze bewijslast. Uit de onderzoeksrapporten komt naar voren dat appellante (ten minste) vanaf begin 2015 structureel werkzaamheden heeft verricht, zoals hiervoor samengevat weergegeven onder 1.3. Weliswaar heeft appellante gesteld dat zij nooit meer dan € 750,- per maand als stagevergoeding heeft verdiend, uit de onderzoeksrapporten komt een heel ander beeld naar voren. Vanaf 2015 zijn door verschillende instanties over het algemeen onregelmatige betalingen aan appellante gedaan, met wisselende bedragen en verschillende betalingskenmerken. Het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat hieruit zeker niet blijkt dat appellante structureel (slechts) € 750,- per maand als stagevergoeding heeft ontvangen. Zoals hiervoor onder 1.2 is overwogen, heeft appellante slechts éénmaal een wijzigingsformulier ingediend bij het Uwv. Nadien heeft zij geen meldingen van haar werkzaamheden en haar inkomsten gedaan bij het Uwv. Ook tijdens het langdurige onderzoek door het Uwv heeft appellante geen openheid van zaken gegeven. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de herhaaldelijk geboden gelegenheid om overzichten te verstrekken van de gewerkte uren en inkomsten bij [A], [B], [C] en [D]. Ook is de enkele verklaring van appellante dat de factuur van € 27.000,- uit rancuneuze overwegingen is opgesteld, onvoldoende. Dat geldt ook voor de stelling van appellante dat de arbeidsovereenkomst met [D] B.V. met een afgesproken beloning van € 6.500,- per maand eenzijdig door haar is opgesteld en [D] B.V. daaraan niet was gehouden. Die niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwde stelling, staat in schril contrast met de loonvordering die appellante in rechte aanhangig heeft gemaakt.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Niet is gebleken dat appellante onjuist is geïnformeerd door het Uwv of door informatie van het Uwv op het verkeerde been is gezet. Het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting en de weigering van appellante om volledige openheid van zaken te geven over de periode van 15 januari 2015 tot en met 30 november 2018 het recht op uitkering op grond van de Wet WIA niet kan worden vastgesteld, zodat de uitkering over die periode moet worden teruggevorderd.
4.5.
Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2021.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) V.M. Candelaria