ECLI:NL:CRVB:2021:2955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontvangt sinds 2012 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 81,66%. Na een anonieme fraudemelding startte het UWV een onderzoek waaruit bleek dat appellante vermoedelijk vanaf januari 2015 werkzaamheden verrichtte bij diverse organisaties, zonder dit volledig te melden. Hierdoor kon het UWV het recht op uitkering niet vaststellen en werd de uitkering over de periode van 15 januari 2015 tot en met 30 november 2018 ingetrokken en teruggevorderd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk inkomsten had opgegeven en dat het UWV haar onjuist had geïnformeerd, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De Raad oordeelde dat het UWV aan haar bewijslast had voldaan en dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door geen volledige openheid te geven over haar werkzaamheden en inkomsten.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarbij het beroep van appellante ongegrond werd verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitkering werd terecht ingetrokken en het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WIA-uitkering bevestigd.