ECLI:NL:CRVB:2021:306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als onderhoudsmonteur, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat zijn beperkingen, waaronder fibromyalgie en CVS, onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellant aan dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet juist was vastgesteld en dat er een urenbeperking had moeten worden aangenomen. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, benadrukte dat de verzekeringsarts bekend was met de medische situatie en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld, inclusief een lichte aanpassing in hoger beroep.
De Raad wees het beroep af omdat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 35% had vastgesteld en de weigering van de WIA-uitkering daarmee terecht was. Hoewel het bestreden besluit in eerste aanleg niet volledig gemotiveerd was, was appellant hierdoor niet benadeeld. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV mag de WIA-uitkering weigeren wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.