ECLI:NL:CRVB:2021:3209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis
Appellante, werkzaam als uitzendkracht, kreeg een Ziektewet-uitkering die werd beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Zij vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat zij niet voldeed aan de wekeneis van 26 gewerkte weken in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat uit de polisadministratie bleek dat zij slechts 20 weken had gewerkt bij een werkgever en onvoldoende bewijs leverde voor werkzaamheden bij een tweede werkgever in de referteperiode. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij tot half juli 2016 had gewerkt bij die tweede werkgever, ondersteund door WhatsApp-berichten en loonbetalingen.
De Raad oordeelde dat het aan appellante is om met objectieve en controleerbare gegevens aan te tonen dat zij aan de wekeneis voldoet. Zij is hierin niet geslaagd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 december 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de wekeneis.