Uitspraak
19.3298 PW
OVERWEGINGEN
12 juni 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2018 (bestreden besluit), de bijstand in te trekken van 1 augustus 2013 tot en met 31 juli 2017 en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 58.986,58 van appellant terug te vorderen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant over de periode van 1 augustus 2013 tot en met
31 juli 2017 niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, waardoor zijn recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college heeft zich gebaseerd op de verbruiksgegevens van energie en water, het buurtonderzoek en de bankafschriften.
Buurvrouw V woont sinds tien jaar in de woning naast het uitkeringsadres. Toen zij er kwam wonen zag zij appellant dagelijks in de woning en in de tuin, ze zag dat er bezoek kwam en dat de ramen open stonden. Ze denkt dat zij appellant vanaf 2013 steeds minder in de woning zag. Op dat moment kwam de vriendin, nu echtgenote, van appellant in beeld. Er zijn in oktober 2015 twee pogingen tot inbraak geweest in de woning van appellant en sindsdien lette de buurvrouw extra goed op. Appellant zette alleen de groene bak aan de weg, maar niet altijd, soms maar een keer in de maand of in de twee maanden. Tot twee weken geleden kwam appellant ongeveer twee dagen per week naar zijn woning, meestal samen met zijn vriendin. Zij hoorde dan de wasmachine en de stofzuiger. Op de rest van de dagen hoorde buurvrouw V geen geluiden uit de woning. Zij heeft wel eens aan appellant gevraagd waarom hij niet ging samenwonen met zijn vriendin. Hij vertelde toen dat hij zijn eigen plekje wilde houden.
Buurvrouw B woont sinds 1993 in de woning aan de overkant van de straat en heeft vanuit haar woning direct zicht op de voorkant van de woning van appellant. Zij heeft verklaard dat appellant sinds ongeveer zes jaar een vriendin heeft en sinds die tijd niet meer op het uitkeringsadres woonde. Ze zag appellant met zijn vriendin twee tot drie keer per week langskomen in de woning. Hij kwam dan met een grijze auto. Soms bleven ze een paar uur, soms een halve dag of een hele dag en ze gingen altijd weg voor de avond. Wat ze kwamen doen, weet de buurvrouw niet. Ze heeft appellant en zijn vriendin wel eens boodschappen zien doen bij de supermarkt. De buurvrouw vermoedt dat appellant een fobie heeft voor het niet afsluiten van zijn woning. Zelfs als hij zijn deuren niet open heeft gehad, dan zag zij hem meerdere keren controleren of alles dicht zat. De verlichting in de woning ging op gezette tijden aan en uit door lichtschakelaars, omdat appellant dan niet aanwezig was in de woning. Zij zag dan helemaal geen beweging. Sinds ongeveer tien dagen staat een raam open bij de woning, maar daarvoor zag ze dat nooit.
Buurvrouw P woont sinds 1989 enkele huizen verderop. Zij heeft verklaard dat appellant sinds zes of zeven jaar een vriendin heeft en dat zij sinds die tijd appellant nog maar een keer in de week zag bij de woning. Af en toe kwam appellant met een tas om zijn kleding te wassen. Ze ziet appellant de laatste twee tot drie weken vaker dan voorheen.
BESLISSING
K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2021.